Kunst en cultuur maken trots. Inwoners van steden ontlenen trots aan het feit dat ze wonen in een stad met een toonaangevend(e) concertzaal, museum, muziekfestival of theater. Of in een stad met een toptheatergezelschap of -orkest. Opvallend hierbij is dat het geen verschil uitmaakt of ze vaak gebruikmaken van het cultuuraanbod of zelden. Het simpele feit dat het aanbod er is, maakt dat mensen zich verbonden voelen met een plek, hun stad.
87% van de bewoners van Amsterdam reageren positief op de stelling: Ik ben trots op het feit dat in Amsterdam veel kunst- en cultuuractiviteiten plaatsvinden. — De Kunsten Gewaardeerd, KPMG
Kunst en cultuur brengen leven in de brouwerij. Mensen die ’s avonds naar de bioscoop of naar een concert gaan, brengen vaak een combinatiebezoek. Voor de film eten ze in een restaurant en na afloop praten ze na op het terras van het café om de hoek. Ook festivals zorgen voor levendigheid op straat. Theaterfestival De Parade bijvoorbeeld brengt mensen samen in parken in Amsterdam, Den Haag en Utrecht waar ze buiten het festivalseizoen niet vaak komen. Cultuur brengt mensen op de been en draagt zo bij aan de levendigheid en veiligheid in de stad.
Reuring is de beweging en opwinding die tijdens de TEFAF ontstaat. Bedrijvigheid, activiteit en levendigheid. Wandel gedurende die week maar eens door Maastricht en je ontdekt dat de sfeer is veranderd. En dat is niet alleen te danken aan de gasten. Ook de inwoners van Maastricht stralen een fierheid uit die de stad laat schitteren. — Guido Wevers, directeur Theater aan het Vrijthof, Maastricht
Kunst en cultuur en stedelijke ontwikkeling zijn natuurlijke partners. Als kunstenaars en creatieve ondernemers zich in een oude wijk vestigen en hun deuren openen, dan heeft dat direct een positieve invloed op de omgeving. Culturele pioniers geven een plek uitstraling en trekken andere mensen aan. Mensen fietsen om voor een bezoek aan zo’n interessante plek of willen er zelfs wonen. Culturele voorzieningen hebben ook een positief effect op de waarde van vastgoed. Dat geldt zowel voor nieuwbouwgebieden als voor oude of historische stadswijken.
Artists are the stormtroopers of gentrification. — Graffiti in Toronto, jaren negentig
In de jaren zestig startte het proces van sociaal-economische opleving in Greenwich Village, New York. Kunstenaars vestigden zich er en een circuit van alternatieve winkeltjes zorgde voor een opleving van de buurt. Leegstaande panden werden in bezit genomen. In het kielzog van deze pioniers kwamen rijkere jonge huishoudens. Zij kochten graag een pandje in een trendy wijk en zetten zo een stijging van de huizenprijzen in gang. — Gerard Marlet, econoom
Het blijkt dat Marlet ogenschijnlijk leuke uitspraken doet, maar dat hij zijn basisliteratuur slecht kent. Greenwich Village was al sinds het einde van de 19e eeuw een bohemien enclave vol met avant-gardisten en een brede alternatieve scène met toonaangevende musea zoals het ‘Whitney Museum of American Art’ (1931; voortgekomen uit het ‘Whitney Studio Club’ uit 1914 opgericht door Gertrude Vanderbilt Whitney; iemand die veel vastgoed beheerde in o.a. Greenwich Village), of theaters als het ‘Cherry Lane Theatre’ (‘off-off-Broadway’: tegen commercialisering in 1924), en we vinden er de bakermat van de Beat Generation (jaren vijftig en zestig). De sociaal-economische opleving in de jaren zestig-zeventig is zeer marginaal te noemen: we kregen er echter sinds die tijd een term voor, namelijk ‘gentrification’. Gentrification, zoals overal staat, heeft ook al voor die tijd plaatsgevonden en is dus niet per se in de jaren zestig begonnen. Echter, als we eens de literatuur goed lezen, weten we dat gentrification niet alleen voort komt uit een culturele enclave, hoewel we dat dankzij de ‘creatieve orkaan’ van Richard Florida nu allemaal heel graag willen geloven (ook cultuur en creativiteit in steden kende we al voor het Floridiaanse tijdperk, niet?). Het is nogal een zwakke eendimensionale plaatsanalyse van Marlet (en vele andere). Immers zijn het tientallen ‘amenties’ (goede bereikbaarheid, groene ruimte, betaalbaarheid van goederen en diensten, gelijkgestemde klasse, water partijen etc.) die sociaal-economische verandering veroorzaken. Met andere woorden: er zijn ook niet-creatieve steden waar sociaal-economische verandering plaatsvindt (of gentrification verschijnt). Daarnaast: Greenwich Village kende - eenvoudig te raadplegen via de website van de stad - een van de laagste leegstandscijfers in de stad en was een meest levendige delen van de stad (zie o.a. ook het boek van Jane Jacobs). Dat gentrification alleen maar waarde stijging biedt voor vastgoed moet eens in Berlijn, Hamburg of Toronto gaan kijken. De protesten zorgen daar voor een vervlakking van de stijgende vastgoedwaarde. Wie wil er in een wijk wonen waar zijn Audi TT in vlammen op gaat? De zinsnede: “Artists are the stormtroopers of gentrification” moet hier dan ook niet opgepakt worden als iets positiefs, maar als kritiek (inderdaad, tegen de eigen gemeenschap). Tenslotte, gentrification - of sociaal-economische verandering - is geen proces dat begint in tijd A en loopt tot tijd B. Wat Vanderbilt-Withney heeft gedaan is eveneens een vorm van gentrification (in de intellectuele zin), verder terug in de tijd is de sloop van Parijs door Baron Haussmann een vorm van gentrification of sociaal-economische aanpassing (in fysieke zin). Sociaal-economische verandering gaat de ene keer snel, de andere keer een stuk langzamer (mede bepaald door statistiek dat een bandwagon effect lijkt te hebben in het debat). Aanpassingen verschijnen evenwel op locaties die al een forse sociaal-economische aanpassing hebben gekend of op plekken waar het onmogelijk lijkt. Ook zijn sociaal-economische aanpassingen (of gentrification) nooit en te nimmer een ‘post-hoc-ergo-propter-hoc’ of een ‘cum-hoc-ergo-propter-hoc’ verschijnsel. We zijn een beetje doorgeslagen in de maakbaarheid van de stad, maar wel op basis van verkeerde en slecht geinformeerde basis-aanname.
http://www.hvgo.net/ Hier kun je het super interessante stuk: 'In de lift' downloaden.
Fransen zoeken in Delft en Den Haag naar sporen van Vermeer. Japanners laten zich fotograferen bij de Nachtwacht. Het Groninger Museum lokt dagjesmensen naar het noorden van het land. Bekijken we de motieven en activiteiten van toeristen om een stad te bezoeken, dan staan kunst en cultuur met stip op één. Cultuur is de motor van stedelijk toerisme. En cultuurtoeristen vormen een aantrekkelijke groep bezoekers want zij geven veel geld uit. Ook buiten de steden zijn kunst en cultureel erfgoed belangrijke trekkers van toerisme. Denk aan Kinderdijk, Oerol, Kröller-Müller of Pampus.
Wereldwijd hebben steden cultuur ontdekt als een economische hulpbron. Cultuur voedt de uitdijende vrijetijdsindustrie en daar hebben zowel de toerist als de lokale bevolking profijt van. — G.J. Ashworth, Urban & Regional Studies, Rijksuniversiteit Groningen
Belangrijkste redenen voor een bezoek aan Amsterdam zijn cultuurhistorie en de grachten, sfeer en musea. — Amsterdam bezoekersprofiel 2008, Amsterdam Toerisme & Congres Bureau
Please Install Flash player
Ernestine Comvalius | 24 mei 2010 - 17:40
Toptheatergezelschappenen toonaangevende concertzalen en musea aan de ene kant, diversiteit in aanbod, culturele diversiteit in gezelschappen, ruimte voor urbanuitingen, jongerentheater en nieuw experimenten aan de andere kant. Dat genereert trots
marieke | 31 juli 2010 - 21:34
Hier snappen ze in de gemeente Waalwijk niets van...